Strijd tegen schijnzelfstandigen en schijnwerknemers

Schijnwerknemer

Mensen schrijven zich soms in hun eigen onderneming in om een betere sociale bescherming te hebben, zij zijn “schijnwerknemers”, want eigenlijk zijn zij zelfstandigen.

Schijnzelfstandige

Als men eigenlijk werknemer is, maar toch als zelfstandige werkt, dan is men “schijnzelfstandige”.

Af en toe meten werknemers zich (soms onder druk) ten onrechte een zelfstandigenstatuut aan.

Schijnzelfstandigheid biedt immers een besparing op de arbeidsmarkt en maakt zwartwerk gemakkelijker.  Bovendien zijn de beschermende maatregelen voor werknemers dan niet van toepassing.  Vaak is het zelfstandigenstatuut ook een eerste stap richting een verblijfsvergunning en bijhorend recht op uitkeringen.

Om dit tegen te gaan werd recent een weerlegbaar vermoeden ingevoerd m.b.t. het al dan niet aanwezig zijn van een band van ondergeschiktheid binnen de arbeidsrelatie.

Dit nieuwe vermoeden is dus een weerlegbaar vermoeden.  Het kan weerlegd worden door alle middelen van recht.

Het toepassingsgebied van dit vermoeden is beperkt.  Het is enkel van toepassing in volgende sectoren :

  • Bouwsector
  • Bewakingssector
  • Transportsector met uitzondering van de ambulancediensten en het vervoer van personen met een handicap
  • De schoonmaaksector.

In de andere sectoren geldt voorlopig nog de gewone regeling loon/ondergeschikt verband.

In eerste instantie moet men om als zelfstandige beschouwd te kunnen worden voldoen aan 4 juridische criteria:

  • De vrije wil van de partijen;
  • De vrijheid van organisatie van de arbeidstijd (geen verplichte vaste uurroosters);
  • De vrijheid om zelf zijn werk te organiseren;
  • Het ontbreken van de “mogelijkheid” dat de opdrachtgever een hiërarchische controle uitoefent.

Er zijn een reeks criteria die bepalen of er al dan niet sprake is van een band van ondergeschiktheid :

  •  Zelf geen financieel of economisch risico lopen.
  • Geen verantwoordelijkheid en beslissingsmacht over de financiële middelen.
  • Geen beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming.
  • Geen beslissingsmacht over het prijsbeleid (behoudens wettelijke prijzen).
  • Geen resultaatsverbintenis voor de overeengekomen arbeid.
  • Garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties.
  • Zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor het werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen.
  • Zich niet voordoen als een onderneming of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken.
  • Werken in ruimtes waarvan men niet de eigenaar of de huurder is, of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.

Er is een weerlegbaar wettelijk vermoeden van ondergeschiktheid wanneer meer dan de helft van die criteria vervuld zijn in hoofde van degene die de werken uitvoert.  Wanneer tegen loon arbeid wordt verricht onder het gezag van een ander persoon, is er een arbeidsovereenkomst.  De arbeidsrelatie zal in dat geval dus vermoed worden een arbeidsovereenkomst te zijn!

Vaak zal er zich dan herkwalificatie opdringen, met alle gevolgen van dien, vooral voor de “werkgever” … (bv. achterstallige RSZ betalen, …).

Het vermoeden is NIET van toepassing op familiale arbeidsrelaties.  Dit zijn arbeidsrelaties tussen :

  • Bloedverwanten en aanverwanten tot de derde graad en tussen wettelijk samenwonenden ;
  • Een vennootschap en een natuurlijk persoon, waarbij de natuurlijk persoon een bloedverwant of aanverwant is tot de derde graad van, of wettelijk samenwonend met, hetzij degene die alleen hetzij zij die samen, meer dan 50% van de aandelen bezitten van de bedoelde vennootschap.

Vragen? Neem contact op met Multipen.